onderbroken

Gecompliceerde zorg thuis; vanmorgen kan ik niet verder met mijn tocht, maar neem vanmiddag de draad weer op. Het verslag van gisteren, donderdag, volgt hopelijk vanavond al.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Archief

derde etappe, derde deel Etten Leur – Breda

Derde etappe, derde deel: Etten Leur Breda.
Etten en Leur, tussen Roosendaal en Breda zijn twee kleine dorpjes, in de loop der tijd tegen elkaar aangeschurkt en samengevloeid in een gemeente. Intussen wonen er al bijna net zoveel mensen als in Vlissingen. De stad van ruim veertig duziend inwoners, wordt omgeven door bedrijventerreinen waar volop economische activiteiten zijn.
Tot voor kort werd Etten Leur doorsneden door een snelweg, de A 58. Door de toename van het verkeer werd een rondweg om het dorp een noodzaak. Het gapende gat wat de oude A 58 achterliet, is op een voortvarende wijze aangepakt. Wie het centrum nu nadert, over een brede, kaarsrechte laan, komt terecht in een grote parkeergarage, waarboven een modern winkelgebied, inclusief een overdekt winkelcentrum werd gevestigd. Bovendien is het vernieuwde centrum voorzien van woningen en gemeenschapsvoorzieiningen, en maakt het geheel een frisse en levendige indruk.
Bewoners van Etten Leur zijn trots op dat nieuwe centrum. Een gepensioneerde arbeider van een pompenfabriek vertelt met plezier over de geschiedenis van de beide, gefuseerde dorpen. Hij weet dat de pest in de late Middeleeuwen in Etten en Leur vele slachtoffers maakte, dat de ontwikkeling van de dorpen en de streek lang achterbleef, en dat de vader van Vincent van Gogh, hier dominee was. “Maar in de jaren zeventig kwam de omslag, “vertelt de pensioeneerde man. “Toen werden hier bedrijven aangetrokken, die arbeiders nodig hadden. Er werden hele wijken gebouwd, waar werknemers van een bedrijf zo terecht konden. Ik woonde met vijf collega’s op een rij. Dat was en is heerlijk. We hebben hier alles. En met het nieuwe winkelcentrum komen de mensen uit Breda en Roosendaal naar Etten Leur om hun boodschappen. Het is ruim gesorteerd en je kunt makkelijk en eenvoudig terecht. De middenstand is nu ook blij dat de A 58 is omgelegd. We zijn er echt op vooruit gegaan.”

Het contrast tussen Roosendaal en Etten Leur is groot, ook al is de afstand niet meer dan een dag gaans, te voet. Waar Roosendaal wordt gekleurd door armoede en verloedering, is Etten Leur een oase van rijkdom en welvaart, althans zo op het eerste gezicht. Zou van Gogh nog iets van de omgeving herkennen? Zou de armoede en het verderf in Roosendaal onoplosbar zijn, en de welvaart van Etten Leur een ieder gelden, en zaligmakend zijn? Met die gedachten ga ik op weg, de kou in, de gure oostenwind in het gezicht.
Op naar Breda, en ik zoek mijn weg. De enige mogelijkheid blijkt de oude Bredase baan te volgen, de paralelweg van langs de snelweg A 58. Achterop komende auto’s en vrachtwagens hoor ik door de harde koude wind niet aankomen en passeren rakelings. Voor het eerst ben ik echt bang, onderweg. Ik vraag me af of ik voor automobilsten voldoende zchtbaar ben? Ik hoop het maar.
De vragen over rijkdom en armoede laten me niet los. Wat betekent de opmerking van Sjouke, de Friese vrachtwagen chauffeur ‘in de asfalt’, gisteren in Roosendaal? Hij gaat niet meer stemmen omdat het voor hem niets uit maakt wie bestuurt? Wat betekent de onderlinge solidariteit in een gesloten gemeenschap, zoals in St. Willibrord, die in wezen in niets verschilt met onderlinge solidariteit onder jongeren? Wat zegt de onzekerheid van het Poolse meisje, die werk heeft, en goed Nederlands wil leren? Waarom herkennen zij zich niet automatisch in de sociaal democratische beweging, die toch haar bestaan ontleende aan het organiseren van onderlinge verbondenheid?
Ik nader het Liesbos, waar ik ooit als kind een keer mocht spelen. Het was toen oneindg groot, en zo indrukwekkend,met hoge statige reuzen van bomen. Nu, in geklemd tussen snelwegen, is het Liesbos een vervuild lapje grond, waar je gek wordt van het lawaai van het voorbij razende verkeer. Lang geleden was ik eens in de wintermaanden in het noorden van Lapland, in Nuorgam, en Kirkeness. De duisternis was zo intens en alom aanwezig dat ik ergens een hoekje zocht om onder die dikke donkere deken van duisternis uit te komen. Dat hoekje kon ik niet vinden, toen. En nu, op zoek naar zo,n zelfde hoekje, maar dan van rust en stilte, lukt het weer niet. Dit Liesbos is geen bos; het is een vervuilde verzameling van verloren lawaaibomenhout.

Terwijl ik verder wandel over een ooit voorname weg van Etten en Leur naar Breda, herinner ik me de artikelen van Kim Putters en Han Noten over de zorg, in het tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting, Socialisme en Democratie. Kim Putters en Han Noten zijn beiden lid van de Eerste Kamer en terzake kundig. Het eerste stuk, dat van Kim Putters, belichtte de marktwerking in de zorg; het tweede, het artikel van Han Noten, worstelde over de vraag hoe je als bestuurder, als manager in de zorg, moet handelen. Je wilt het beste, maar de overheid vertrouwt de zorgmanagers niet en zoals Noten dat zo mooi zegt, de overheid organiseert vervolgens de angst. Die gecontroleerde angst manifesteert zich in een controlesysteem. Kim Putters, op zijn beurt, rekende uit dat een gemiddelde zorginstelling, bijvoorbeeld een bejaardenhuis, door meer dan 40 veertig, verschillende instanties wordt gecontroleerd. Beiden, Kim Putters en Han Noten acht ik hoog; zij zijn kundig en wijs. Maar wat hebben Sjouke in Roosendaal en de gepensioneerde arbeider in Etten Leur aan de zorgen van Putters en Noten? Wat is het perspectief van waaruit zij kijken en denken?
Heeft de marktwerking de zorg verbetert? Beter gezegd, heeft het denken in louter tijd en geld, het lot verbeterd voor wie is overgeleverd aan de zorg van een ander? Is het niet zo dat menselijkheid verloren is gegaan, de kosten in enkelede decennia zijn geëxplodeerd, en weinigen nog met plezier en vettrouwen naar het werk in de zorg gaan, behalve dan wellicht de bestuurders, met inkomens zo hoog, dat die tot niets anders leiden dan woede en maatschappelijke ontwrichting?
Naast, en even later boven, mij slingeren de snelwegen zich om en naar Breda. Langs die toegangswegen staan reusachtige koopfabrieken van Ikea, en andere bedden en keukenleveranciers. Mijn voetpad leidt daar niet naar toe. Wanneer ik over de oude Haagweg wandel, tref ik gewone winkels, bakkers, slagers, groenteboeren en een winkeltje voor hobbyspullen. Het is de achterkant van de snelweg, een ander perspectief. Het is bovendien een mooie wijk, Princehage, ’t Aogje” zoal ik in de wijk met trots zie geschreven.

Verder, op naar het centrum van de stad, passer ik oude arbeiderswijken, met rommelige winkels, duistere drugspanden en troosteloze straten. Ik begrijp maar niet waarom sociaal democraten het vanzelfsprekend vinden en zelfs goedkeuren dat drugshandel en drugspandenzich in het hart van achterstandwijken ontwikkelen. Laatst hoorde ik zelfs een huisarts, fractievoorzitter van de PvdA in Middelburg, een harstochteloijk pleidooi houden voor een coffeshop in de Zeeuwse hoofdstad. Op dat soort momenten denk ik aan de stem van Willem Drees sr., die in zijn gesproken columns voor de radio matigheid bepleitte en zelfs het drinken van alcohol afwees. Zou Drees dit drugsbeleid begrijpen en toejuichen, zoals de huisarts in Middelburg?
Uit een van die drugswinkels in Breda komt een man gestruikeld, mager, spijkerbroek, paars glimmend jack, ongeschoren, ingevallen ogen en onverzorgd haar. Ik spreek hem aan, Maurice, 43 jaar, en tegelijk zo oud als Methusalem. Hij heft het koud, zegt hij, terwijl hij nerveus in zijn handen wrijft. Ik vraag of hij een dak boven zijn hoofd heeft, en te eten. “Als jij me wat wilt geven, misschien,”zegt hij, en lacht. Voor ik iets kan antwoorden, ziet hij een auto naderen, met een Belgisch kenteken. Hij snelt er op af, tikt op het raam, en stapt in. De auto blijft staan, half op de stoep. Van de andere kant nadert een Marokkaanse moeder, met een wandelwagen. Het is koud in Breda.
Nabij het centrum stap ik een oude winkel binnen, waar feestelijke kleding wordt verhuurd. Nu ben ik niet van de partij, en dus geheel niet op zoek naar een smoking, maar in diezelfde winkel, worden ook grote maten verkocht, schoenen, truien en overhemden. Er is een restant van de uitverkoop. Ik zoek het een en ander uit voor mijn jongens, thuis en krijg een kopje koffie van de winkelier. Ik verklaar hem mijn wandeling; hij glimlacht en bekent geen PvdA man te zijn maar over een aantal zaken is hij anders gaan denken door recente ervaringen, avn ziekten en dood. “Moet ik altijd nog meer nastreven,” vraagt hij zich af. “Of zijn andere zaken van groter belang?”

Die vraag echoot nu nog na, enkele dagen later. Moeten we, wetende wat we weten, niet het perspectief veranderen? Moeten we niet langer worstelen over het managen van de zorg, over de vestiging van een nieuw drugshol, maar waken over het lot van wie is overgeleverd aan zorg, waken over het lot voor wie het niet getroffen heeft, en werk verdwijnt en armoe wenkt? En moeten we niet zorgen dat het isolement en de onderlinge solidariteit van kleine groepjes, ploegjes zoals men hier zei, weer verweven wordt in groter verband?
Morgen ga ik weer op weg, dieper Brabant in.

Hier en daar nog hangen restanten van oranje slingers

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Archief

derde etappe Roosendaal – Breda (tweede deel).

St. Willibrord: vroeg op, uren maken en hard werken

Derde etappe, Roosendaal, Ruchpen, St. Willibrord, Etten Leur.

Roosendaal.- De voorbije decennia was de grensstad Roosendaal bekend als internationaal centrum voor de gedoogde drugshandel. Meer dan tienduizend Belgen en Fransen kwamen hier wekelijks op de ‘coffeeshops’ af. De criminelen, met productie van en internationale handel in drugs verbonden, beleefden in Roosendaal, gouden tijden. Om de criminaliteit te beëindigen besloot de burgemeester in 2009 om aan het gedoogbeleid een eind te maken.  Roosendaal, zeker in de omgeving van het station, maakt nu een verloederde en verpauperde indruk.

De betekenis als grensstad zal in de komende jaren weg vallen. De hoge snelheidstrein naar Frankrijk heeft Breda als laatste halteplaats voor de grens gekregen. De vertrouwde treinverbinding van Amsterdam via Roosendaal naar Brussel en Parijs, wordt op geheven. Wat dan? Wat is het perspectief wanneer je hier je baan verliest, of na de middelbare school gaat studeren, elders? Hoe moet het verder met de mensen in Roosendaal, vraag ik me af, terwijl de stad verlaat in de richting van  het dorpje Rucphen.

De velden buiten Roosendaal liggen in de milde zon stil te wachten op zaai en pootgoed; het is prachtig weer;  het voorjaar wenkt. Fietsers, vaak ouderen, genieten van de lichte lucht en het rumoer van eksters en merels. Het landschap, de prachtige huizen maken een vredige, welvarende indruk.

Rucphen werd na de laatste landelijke verkiezingen nieuws. In deze gemeente, in het zuiden van West Brabant, scoorde de PVV het hoogste percentage stemmen. Meer dan veertig procent van de inwoners koos voor de partij van Geert Wilders; in het kerkdorp Sint Willibrord zelfs meer dan 52 procent. Het gemiddeld jaarinkomen was, net als in Roosendaal laag, rond 13.000 euro per jaar, in 2006.

In het centrum van Rucphen wandelen ouderen naar het gemeenschapshuis, tegenover de basisschool. Ze groeten vriendelijk, maar zijn niet geneigd tot een praatje. Een enkeling, een oudere heer, wil desgevraagd wel vertellen dat een bakker  “zoals we die vroeger kenden, allang niet meer in het dorp te vinden is, omdat nu eenmaal alles verdwijnt.”  Verderop, wijst  hij, is een supermarkt. 

Op een bankje voor die supermarkt drink ik wat water, eet een mandarijntje en wandel gauw weer verder in de richting van Sprundel. Buiten Rucphen schakelen zich de bedrijven aan een, af en toe zijn er schitterende villa’s, maar wat het meest op valt, bedrijven of woningen… alles staat achter hekken. Waarom? Niemand wil het vertellen, ook de bezorger van de VSP post niet.  

Van Sprundel is het nog maar een klein eindje naar Sint Willibrord, ‘t ‘ Eike’ in de volksmond. Dat is een bijzonder dorp, bekend door wielrenners als Wim van Est en Rini Wagtmans, en biljarters als Dick Jaspers, Chris van der Smissen, en Gerwin Valentijn, die ook stratenmaker is. Maar wie een beetje vertrouwd is met de streek, weet dat St. Willibrord vooral een gesloten gemeenschap is, met een hartelijke en onderling solidaire bevolking. De keerzijde van de gemeenschap is dat zij nauwelijks open staat voor buitenstaanders, laat staan buitenlanders.

Hoe en waar het raadsel van ’t Eike te ontraadselen? Ik besluit naar de kapper te gaan: waar ook ter wereld, de kapper weet alles en is, discreet vanzelfsprekend, de beste gids die je kunt bedenken. In de hoofdstraat van het dorp zie ik ‘Voor Hem en Voor Haar, de Kam en de Schaar’. Ik open de deur, en een aantal dames, met aluminium vlinders in het haar;  kijken verrast en geschrokken op wanneer ik, met dikke jas en rugzak, binnenstap. Op mijn vraag of ik geknipt kan worden, volgt kort overleg. Even later zit ik in en stoel en de kapster blijkt een vriendelijk, Pools meisje, Yvonne.

Ze praat zacht en wil over het dorp en de bewoners eigenlijk niets vertellen. Haar positie is delicaat. “Het zijn hier aparte mensen,” zegt ze, een directe vraag vermijdend. Yvonne vertelt dat ze correct Nederlands wil leren, maar dat dit in Sint Willibrord moeilijk is. “Het is een moeilijk dialect. Ik zoek naar een goede cursus Nederlands,” zegt ze. “Hier leer ik moeilijk de taal.”

Jarenlang heeft ze afwisselend in Nederland gewerkt, en in Polen verbleven; nu heeft ze besloten definitief in Nederland te blijven. “Ik mag van geluk spreken, als ik het lot van andere meisjes zie.” Ze vertelt hoe groot de overgang is van Polen naar Nederland, en hoe de verschillen in mentaliteit en cultuur haar onzeker maken. “Maar ik kan nu niet meer terug,” vertelt ze. “Ik ben al te lang weg uit Polen; ik ben 31 jaar en verlang naar stabiliteit.”

In de kapperswinkel komt een mevrouw binnen, die een speciale behandeling voor het haar wil laten uitvoeren. De kapper vertelt haar dat het 1300 euro kost. De hoogte van het bedrag lijkt haar weinig uit te maken; ze bespreekt de mogelijkheden in haar agenda. De dames met de aluminium vlinders in het haar luisteren aandachtig.

Even verderop, in het dorpshart, ligt het Oude Café. Ik ga er naar binnen en zie aan verschillende tafels ploegjes kaartende mannen, bierflesjes op de tafels. Ook aan de bar zitten enkele mannen; ze kijken me aan, en zeggen niets. Ploegjes zijn ploegjes; zij houden elkaar en de omgeving in de gaten. Ik drink versgezette koffie, met een speculaasje, en maak wat aantekeningen. Een van de mannen, net terug van ‘de koer’ spreekt me aan. Wat brengt me hier? Ik leg hem rustig het doel van mijn tocht uit. De oude man vraagt me vervolgens of ik weet hoe oud het café is. Ik blijf het antwoord schuldig. “Wel 200 jaar, meneer, “zegt hij. “Ik kom hier al zeventig jaar. Sint Willibrord is een mooi dorp, een pracht dorp. Mijn ploeg wacht. Daarom meneer, het allerbeste.” De oude man neemt zijn plaats in aan zijn tafeltje, pakt de kaarten op en de orde in het café herstelt zich. Straks, zodra ik het café verlaten heb, denk ik, vertelt hij over het wie en waarom.

Ik spreek even verderop op straat een jonge vrouw aan; ze kijkt verschrikt. Sint Willibrord? “Eigenlijk is het een groot kamp,” zegt ze. “Een hechte gemeenschap, waar buitenstaanders vreemd worden aangekeken. Dat geldt al voor mensen uit de regio, en al helemaal voor buitenlanders. Maar onderling is men er voor elkaar, altijd. Als je van hier bent, en je wilt een huis bouwen; dan hoef je geen aannemer te zoeken. Dan staat er een ploegje voor je klaar en wordt het huis met elkaar gebouwd. Solidariteit is van belang, net als de kerk.
Maar niemand wil voor elkaar onder doen. Heb ik geglazuurde dakpannen, dan wil jij dat ook. En wat ook typisch is voor Sint Willebrord is dat we in de keuken leven. De huiskamer is voor sier, voor de pronk. Op woensdag eten we frites. Dan eet heel ’t Eike frites.
Nog iets van hier. Alles voor het jong. Als je 16 bent krijg je een scooter; als je achttien wordt, een auto. Alles voor het jong. Ik heb dat een tijdjwel moeilijk gevonden, altijd die sociale controle, en ben daarom een poosje weg gegaan. Intussen ben ik weer terug, en heb ik me er bij neergelegd. Het is zo, en het blijft zo, een echte gemeenschap. Als een kamp, een woonwagenkamp. Onderling verbonden; naar buiten gesloten.”

Wanneer ik me haast om voor het donker bij het station van het naburige Etten Leur te zijn, tref ik aan de rand van ’t Eike nog een man aan. Hij komt net terug van zijn werk, bewoont een prachtige bungalow. Ik vraag hem naar het geheim van St. Willibrord. Hij lacht. “Vroeg op, hard werken, veel uren maken, en ’s avonds thuis verder. Uren maken. Dat is het. “

Ik loop een viaduct over de snelweg over en kom uit op een reusachtig industrieterrein aan de rand van Etten Leur. Langs een eindeloze lange laan schakelen industriële bedrijven zich aan een. Het is nog een heel eind naar het station. (wordt vervolgd.)

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Archief

derde etappe Roosendaal Sint Willebrord Etten Leur (eerste deel)

Roosendaal /Rucphen/ sint Willebrord/ Etten Leur.

Roosendaal maakt zich op voor carnaval. Je voelt het in de lucht; het is nog koud, maar zonnig; de zon is vroeger op, en gaat al na zes uur ’s avonds onder. In de etalages in de stad zie je kleurige slingers, en maskers hier en daar. Terwijl ik me probeer te oriënteren en maar rondjes blijk te lopen in het centrum, stuit ik in de etalage van een carnavls annex feestwinkel, op de figuren uit eenwonderlijke film, die ik nooit zag, New Kids, uit het Brabantse dorp Maaskantje.
Vandaag ga ik op weg naar St. Willebrord, een bijzonder dorp, halverwege Roosendaal en Breda. Bijzonder omdat het dorp altijd een sterk afwijkend stemgedrag heeft. Het hoogste percentage PVV stemmers woont hier, in het dorp van de oud wielrenner Wim van Est, en oud wereldkampioen biljarten van der Smissen. Het is een overbrugbare afstand, tien twaalf kilometer, te voet, op voorwaarde natuurlijk dat je goed loopt.
Wanneer ik na ongeveer drie kwartier de groet auto uitvalsweg richting Breda heb gevonden, en de snelweg in de verte hoor, zie ik een grote man op me afkomen. Hij draagt een donker blauwe cap, en een oranje veiligheidsjack. Zijn handen in de zakken, de ogen steeds zoekend. Ik veronderstel dat hij een wijkagent is, en vraag hem of ik intussen in de juiste richting wandel.
“Nee, hoor, geen wijkagent,” zegt hij. “Ken je Moerdijk? Dat heb ik mee aangelegd. Ik zit in de wegenbouw, als chauffeur. Ik breng het asfalt, als meer dan dertig jaar. Vroeger werkte ik bij Dura Vermeer en nu nog, maar het is nu een ander bedrijf geworden, en Dura Vermeer huurt ons dan in, zogezegd.”
De man heeft een noordelijk accent; zijn cap heeft een kleine rand, wit met de rode pompe bladeren, Fryslan. Ik vraag hem of hij hier woont, en het naar zijn zin heeft.

‘Ik woon het liefst in een dorp. Ik kom uit Friesland, uit Sexbierum, bij Harlingen. Eerst woonde ik in Klundert maar ja, nu al elf jaar, in Roosendaal. Ik ben geen stdsmens. Verder gaat het wel. Ik heb mooi werk; het is goed zo. Ik werk met een fijne ploeg. We hebben het goed met elkaar, in de asfalt. Het is wel zwaar omdat we vaak ’s nachts en in het weekend werken. En als je overdag werkt, ’s morgens om kwart over drie, half vier het bed uit. Dat is best zwaar. Op Sinterklaasavond heb ik een kleine hersenbloeding gehad. Nu gaat het goed hoor; alles doet het weer. Morgen moet ik herkeurd worden. Of ik weer op de vrachtauto mag. Dat is een spannende dag. Verder bemoei ik me nergens mee. Ik ga niet stemmen. Dat doe ik al jaren niet meer. Ze gaan toch hun gang, met wetten maken, die geen mens meer kan volgen. En het maakt geen verschil of je de ene partij hebt, of de andere. Ze gaan allemaal gewoon door. Je moet eens weten wat je allemaal moet om als chauffeur te kunnen werken. Je bent er echt niet met een rijbewijs. Je moet dit, je moet dat. Mijn tijd duurt het wel uit, ik hou me rustig. Ik heb mijn ploegje en ze willen me graag terug. Dat telt.”
We geven elkaar een hand en ik loop verder, Brabant tegemoet.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Archief

tweede etappe Bergen op Zoom – Roosendaal (deel twee).

Deel twee…

Roosendaal ken ik eigenlijk niet; je komt er vanuit de Randstad op weg naar Zeeland met de trein, door, maar meer dan overstappen doe ik in Roosendaal niet. Nu heb ik een afspraak met wethouder Kees Jongmans, en twee van zijn ambtenaren in het stadhuis.
Het is nog steeds een donkere, koude en grijze vrijdag. Mensen wijze me voor het station de weg, rechtdoor, tot de Molenstraat, rechtsaf en dan de borden volgen. Ik doe als gezegd, en kom door verloederde straten. Hier moet de handel in drugs levendig zijn geweest; vreemde, gesloten, vergane panden met onduidelijke bestemmingen schakelen zich aan een. Ergens een poes in een vensterbank voor het raam. Het regent zachtjes.

De gemeente lanceerde eerder deze week een mooie website, www.wegwijsroosendaal.nl .
waarin burgers uit Roosendaal op de meest eenvoudige wijze hun weg kunnen vinden voor hulp, advies, en uitleg van en over gemeentelijke diensten, en over werk, zorg, en inkomen. Dat lijkt allemaal heel vanzelfsprekend, maar is het niet. De meeste mensen hebben geen idee welke rechten en plichten men heeft, en welke mogelijkheden de overheid kan bieden. Bovendien is het gepuzzel op het internet voor veel mensen lastig want waar vind je nu eens een helder en eenvoudig overzicht?
Kees Jongmans, wethouder in Roosendaal, is de enthousiaste inspirator achter deze website, die werd ontwikkeld door twee jonge ambtenaren, Helma Karter en Marga Bogers. Beiden hebben geen ervaring met het ontwikkelen van zo,n project, en doen zelfs heel ander werk bij de gemeente. Maar Kees Jongmans stimuleerde juist jonge ambtenaren om iets buiten de geijkte kaders te doen. “Ons college programma heeft als titel Kansen voor Iedereen” en dat eigenlijk over armoede beleid. We hebben twaalf projecten benoemd die we stap voor stap uitvoeren. Een daarvan was een manier vinden om voor een ieder alle beschikbare informatie over alles wat met geld, werk, en zorg te maken heeft, toegankelijk te maken. Nou, hoe doe je dat? En welke groepen in de maatschappij moet je daarvoor bereiken?”
De twee jonge ambtenaren zijn de wijken in gegaan, hebben talloze mensen gesproken, die voorheen in armoede verkeerden, langdurig werkloos waren, of dakloos. En juist deze mensen hebben duidelijk gemaakt op welke manier, en met welke middelen je moet gebruiken. Zij hebben ervaring, weten wat bijstand is, en bijzondere bijstand. De website, met eenvoudige taal en heldere iconen, en zelfs met een gesproken versie, wordt nu onder de aandacht gebracht van de burgers in Roosendaal. Jongeren, als vrijwilligers, helpen bij speciale activiteiten en manifestaties, om de site onder de aandacht te brengen.

Het is al halverwege de middag wanneer het stadhuis in Roosendaal verlaat. Het regent hard; de lucht is zwaar en loodgrijs. Ik verlaat het centrum in de richting van het dorpje Wouw, maar nog voor ik de stadsgrens van Roosendaal bereikt heb, trek mijn regenpak aan. Het is niet anders, denk ik, door lopen jongen.

Aan de rand van de stad ontdek ik aan mijn rechterhand een rare groep van huizen met en “oud Hollandse trapgevels”. Het is niet wat het lijkt…. Het is een outlet centrum: een verzameling winkels met afgeprijsde merkkleding. Kopen, kopen, kopen…. Er wapperen vlaggen en vaandels, en het parkeerterrein staat vol, zelfs op een zo triestige vrijdagmiddag als nu. Het is te nat om er naar toe te lopen en de blik te scherpen. Bovendien wordt het al donker, merk ik. Over een fietspad, langs een drukke weg, wandel ik voort, in de richting van Bergen op Zoom. Na ongeveer zeven kilometer, halverwege, durf en kan ik niet verder. Ik loop, vrijwel onzichtbaar en doorweekt, vlak langs voorbij rijdende auto’s en vrachtauto’s. Soms duwt de slagwind van een vrachtwagen uit balans. Zou er hier, bedenk ik me, ergens een bushalte zijn? Wanneer ik een huis passeer, en zie dat daar een open haard vuur brandt, bel ik aan. Misschien weet men hier waar en wanneer een bus… ik bel nog eens, en wacht,  tevergeefs. Ik maak mijn bril droog, zo goed en kwaad als het gaat, kijk nog eens goed door het raam…. een namaak open haard;  niemand thuis.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Archief

tweede etappe Bergen op Zoom Roosendaal (deel een).

Tweede brief, 11 februari 2011.

Bergen op Zoom – Roosendaal en vice versa.

Gisteravond, na thuiskomst vertelde mijn oudste zoon, dat eerder op de dag een automobilist midden op de Zeeland brug was gestopt, en over de reling was gestapt. Getuigen hadden dat gezien. De man was in de richting van de Oosterschelde kering gedreven en na een lange zoekactie niet meer gevonden.
Het is een bericht, wat niet uit je hoofd wil.
Wij kijken, vanuit de tuin, uit op de Zeeland brug.

Vanmorgen, net in de trein, werd omgeroepen dat als gevolg van een aanrijding er geen treinverkeer mogelijk zou zijn tussen Bergen op Zoom en Roosendaal. Mensen in de coupé kijken elkaar even aan; zonder veel woorden wordt de aard van het bericht begrepen en doorgrond.

In de kiosk van het station van Bergen heerst verwarring. Mogen treinen nu wel of niet met passagiers door rijden, of worden er nog bussen ingezet om reizigers naar Roosendaal te vervoeren. De mevrouw achter de kiosk zucht. “Het zijn er zeker tien per week die voor de trein springen. Iedereen weet het, maar niemand mag het zeggen. Drie weken geleden nog was het de hoofdconductrice die uit de trein stapte omdat er weer iemand voor de trein gesprongen was. Het bleek ditmaal haar eigen man. Ik kan het nog steeds niet vertellen zonder te moeten vechten tegen de tranen.”

Mijn moeder zou zeggen, een dag met een gaatje. Een dag waarop alles gekleurd wordt door een enkele gebeurtenis. Stil en verloren loop ik naar het stadhuis, een paar honderd meter van het station. Ik heb een afspraak met Ad van der Wegen, PvdA wethouder voor ruimtelijke ordening, milieu en de publieke ruimte. We kennen elkaar eigenlijk niet, maar Wim van Gorsel bracht ons met elkaar in contact. Gisteren troffen we elkaar een eerste keer bij een conferentie over Bio Based Economy. ( Dat klinkt erg duur en ingewikkeld maar wil zoveel zeggen dat (grond)stoffen uit de land en tuinbouw als vervanger van olieproducten gebruikt kunnen worden in industriële productieprocessen.) Maar waarover moet je spreken wanneer een eindje verderop, een jong meisje voor de trein springt? Mijn voettocht lijkt nu even een zinloos project…

Ad van der Wegen is een grote, joviale ronde man. Vrolijke ogen, speelt trompet in een dweilorkest en werkte tot voor enkele jaren, gedurende 23 jaar in de ploegendienst bij Cargill.
Hij schudt het hoofd wanneer ik vertel over het ongeluk voor de trein. Er valt een ogenblik niets te zeggen. Ik vertel hem over mijn tocht, en het doel er van.
“Mijn vader was lasser en pijpfitter,” vertelt Ad, “hier in Bergen op Zoom. Ik ben aan de stad verknocht.”
Ad kon goed leren, en doorliep fluitend het plaatselijke gymnasium. Hij mocht studeren, maar hij had geen specifieke belangstelling voor een bepalde studierichting. “Ik merkte al vroeg dat ik nieuwsgierig was en graag mijn invloed liet gelden, maar dat gaf geen richting voor een studie.”. Hij begon met Engels in Utrecht, en behaalde uiteindelijk zijn propedeuse rechten in Rotterdam, maar door de ( jeugd)werkloosheid in de eerste helft van de jaren tachtig, veranderde hij van koers.

Ad van der Wegen: “Ik wilde niet werkloos worden, en ben gaan solliciteren. Uiteindelijk vond ik een baan in de ploegendienst bij Cargill, hier in Bergen op Zoom. Ik dacht dat beter zou zijn dan niets, en zou me vanzelf wel verder kunnen ontwikkelen, ook binnen dat grote concern.” Uiteindelijk zou hij 23 jaar in de ploegendienst werken, daarnaast actief zijn binnen de vakbond, de ondernemingsraad en het pensioenfonds.
“Ik speel trompet in een dweilorkestje en de toenmalige wethouder blies daar ook een partijtje in mee. Hij haalde me over om in de politiek te komen. Nou, dan begin je als burgerlid, en daarna als duoraadslid, raadslid en in 2006 werd ik lijsttrekker.”
Intussen is hij wethouder geworden, en heeft het enorm naar zijn zin. “Hier komt alles bij elkaar wat ik geleerd heb en leuk vind,” zegt hij.
Maar Ad heeft zorgen over de sociaal democratie, en de opkomst van extreem rechts. “Ik ben er van overtuigd dat als we het een op een aan de mensen zouden kunnen uitleggen wat we doen, en waar onze partij voor staat, dat we de mensen zouden kunnen overtuigen. Maar zo gemakkelijk gaat het niet, in een media maatschappij als de onze.”

Ad erkent dat de overheid de komende jaren meer en meer een beroep zal moeten doen op vrijwilligers. De bevolking wordt relatief gezien ouder, en steeds minder jonge mensen zullen steeds meer werk moeten verrichten. Het welvaartsniveau zal nooit meer zijn, zoals voor de economische crisis. Misschien anders, maar nooit meer zal het worden zoals het was, concluderen we. Ad van der Wegen: “In gesprekken met de directies van corporaties, van zorginstellingen en scholen komen we steeds meer tot de conclusie dat we samen moeten optrekken; dat burgers betrokken moeten worden. Zonder de inzet en betrokkenheid van vrijwilligers krijgen we straks het werk gewoon niet meer voor elkaar. Maar tegelijk moet ik vaststellen dat burgers dat helemaal niet zo ervaren. Het verband van de zuilen in de samenleving hebben we los gelaten en eigenlijk is er niets voor in de plaats gekomen.”

Volgens mij, zeg ik op mijn beurt, is het noodzakelijk binnen het verband van de sociaal democratie nieuwe organisaties op te richten, zoals een ziekenfonds, en coöperatieve winkels, waarin mensen vertrouwen kunnen stellen, en zich aan kunnen binden. Mensen en waardigheid; verbondenheid en verantwoordelijkheid, zouden daarin centraal moeten staan. Het zijn eenvoudige principes op basis waarvan de solidariteit in mijn dorp Kats ooit gegrondvest werd.

De veranderingen in de samenleving voltrekken zich evenwel gestaag. Zuidwest Nederland, en West Brabant in het bijzonder, ontwikkelt zich ongemerkt tot een belangrijke regio waarin landbouw, chemie, en industrie eendrachtig samenwerken in de zoektocht naar nieuwe industriële mogelijkheden. Grondstoffen uit de landbouw worden in toenemende mate ingezet als vervanger van olieproducten. In de regio werken onderwijsinstellingen, onderzoekscentra, het bedrijfsleven, en de overheid eendrachtig naar mogelijkheden om de zogenaamde Bio Based Economy verder te ontwikkelen. Bergen op Zoom, vertelt Ad van der Wegen, krijgt een Groene Campus, waar nieuwe, kleine bedrijven zich kunnen vestigen. Het levert op termijn, zo zijn de voorspellingen, 2500 banen op, en een koppositie in de noodzakelijke veranderingen van de economie.

“We houden goede moed, zegt Ad van der Wegen, wanneer we afscheid nemen. “De mensen zien heus wel waar het om gaat en wie welke keuzes maakt.”

Het is donker en koud, deze dag. Ik moet om twee uur in Roosendaal zijn, en dat haal ik niet te voet. Daarom neem ik de trein en zal van Roosendaal terug lopen naar Bergen op Zoom. Even later rijdt de trein langs de plaats waar enkele uren eerder ëen aanrijding plaats vond met een persoon”, een jong meisje dus.

(wordt vervolgd.)

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Archief

Slaapplaats gezocht

Jan raakt steeds verder van huis. Sint Willebrord-ver-van-huis, welteverstaan. Donderdag wandelt hij van Roosendaal naar Sint Willebrord, om de volgende verder te gaan naar Breda. En dus zijn we dringend op zoek naar een slaapplaats voor hem. Mag Jan bij jou coachsurfen? Of ken je een stalletje bij een herberg in de buurt van het Brabantse plaatsje? Stuur dan een mailtje naar jan@voettochtvanjan.nl. Over een tegenprestatie kunnen we onderhandelen!

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Archief

jongeren in Zeeland met onderwijs aan de slag

Een groep jongeren die deze voettocht volgt, gaan aan de slag met het voortgezet en middelbaar beroeps onderwijs in Zeeland. Zij willen een website ontwikkelen en daar ervaringen van Zeeuwse jongeren noteren. Er zijn zulke vreemde en onrechtvaardige zaken aan de hand, dat zij iets willen doen. Niet alleen schrijven wat mis gaat of slecht is, maar ook aangeven hoe het beter kan. Binnen enkele weken zal de groep hier thuis worden uitgenodigd voor soep en pannenkoeken; dan zal de website spoedig er na openbaar worden.
En precies dit soort zaken is de bedoeling van de voettocht; over twee jaar wanneer ik hoop mijn ronde te hebben voltooid zullen we bijeenkomen, en zien wat en hoe en welk perspectief er is voor een volgende generatie.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Niet gecategoriseerd Getagged ,

de weg terug

De agenda ziet er vandaag anders uit. Vanmorgen om elf uur zie ik Ad van der Wegen, wethouder in bergen op Zoom, en om twee uur zijn collega Kees Jongmans in Roosendaal. De afstand tussen Bergen op Zoom en Roosendaal is ruim 14 kilometer. Dat haal ik niet, tussen beide afspraken in, te voet.
Mijn plan is nu zo. Eerst met de trein naar Bergen op Zoom. Afspraak na komen, daarna een wandeling door de stad, om vervolgens per trein naar Roosendaal te rijden voor de volgende afspraak. Nadien loop ik dan van Roosendaal via Wouw terug naar Bergen op Zoom. Vandaar, in de vroege avond, per trein naar Goes terug.

Gepubliceerd op
Gecategoriseerd als Archief

Etappe 2: Rilland-Bergen op Zoom

verloren vlucht

Tweede brief, 10 februari 2011.

Van Rilland naar Bergen op Zoom.

Beste Allemaal,

Vandaag ben ik van Rilland naar Bergen op Zoom gewandeld, het laatste stuk in Zeeland voorlopig. Wie de kaart van Zeeland een beetje kent, weet dat Rilland in de smalle strook land ligt, die Zeeland met Brabant verbindt. Aan de ene kant de Westerschelde, met reuzenschepen op weg naar Antwerpen, en de Oosterschelde aan de andere kant. Het is gevaarlijk stukje Nederland: vaar, auto en spoorwegen liggen er naast elkaar; kerncentrales van Doel en Borssele, chemische fabrieken en olieraffinaderijen en wordt de smalle strook doorsneden door het Rijn Schelde kanaal, de verbinding tussen de havens van Antwerpen en Rotterdam. Dat is het drukst bevaren binnenwater van Europa.

Ik realiseer me terwijl ik in de trein zit van Goes naar Rilland dat het een lange, stille dag wordt waarin nauwelijks ontmoetingen mogelijk zijn. Er woont in dit gebied vrijwel niemand. Er zijn landerijen, een groot kassengebied en het grootste gedeelte hier is natuurgebied.

Vanaf het station van Rilland, in een milde zon, bij een lage temperatuur wandel ik in de richting van Bergen op Zoom. Wim van Gorsel belt me op, en biedt nog even een kopje koffie aan; ik sla dat niet af. Ik hoor opnieuw, net als eerder deze week, naar aanleiding van mijn eerdere berichten, verhalen over krankzinnige ontwikkelingen in de zorg. Over hoe met geld gesmeten wordt, en er tegelijk geen centjes zijn voor werkelijke zorg en aandacht.

Terwijl ik even later in de richting van de Bath-polder wandel, kies ik inhoudelijk richting voor de komende weken: ik zal me richten op de zorg, en met name op de zorg voor de aller kwetsbaarste mensen in de samenleving, verstandelijk en lichamelijk gehandicapten. Volgens mij hebben onze zorgverzekeraars langzamerhand de zorgsector, juist voor deze mensen, ontdaan van zorg. Deze week bezocht ik, toevallig, en buiten de context van deze wandelingen, een klein centrum voor dagbesteding voor deze mensen, zo zwaar door het levenslot getroffen. De maatregelen van de zorgverzekeraars zijn zo stuitend, zo inhumaan, dat nader onderzoek wat mij betreft geboden is.

In Bergen op Zoom, en later in Roosendaal ga ik deze week twee wethouders opzoeken. Ik ga hen vragen of zij mij op weg kunnen helpen, naar huisartsen, families, en werknemers, verzorgenden, verplegers enzovoort. In Tilburg zit het hoofdkantoor van zorgverzekeraar CZ, en ik ben benieuwd waarom zij doen wat ze doen. Eindhoven is Phillips en daar wordt medische technologie ontwikkeld. Maar ik ga proberen om te zien hoe het lot is van de mensen die het kwetsbaarst zijn. Wat betekent het idee van marktwerking, en individualisering voor hen in de praktijk? Welaan, zo dat wordt de koers.

Ondertussen wandel ik langs het kassencomplex van de firma van der Lans, langs de boorden van de Oosterschelde en de Hoge Waard polder, waar de stichting het Brabants Landschap de polder op zijn kop zet, en nieuwe natuur met graafmachines forceert. Ik denk er maar niets bij en wandel stevig door, ook wanneer een volgend natuurgebied weer achter prikkeldraad verzonken ligt. Het is onwaarachtig en stuitend, prikkeldraad om natuurgebieden.

Zeven kilometer voor Bergen op Zoom, begint het te regenen. Het wandelen wordt zwaar, en ik ben blij wanneer de eerste bebouwing bereik. Nog een eindje naar het centrum, naar de omgeving van een gebouw dat Stoelenmat heet…. Of is het meer dan nog een eindje?

Ik vraag het aan een jongeman, die voor de Mc D. in een auto een ijsje eet. De jongen, Danny Groninger, komt uit zijn auto en legt het vervolg van mijn route uit. Het blijkt nog een flink eind en hij biedt aan om me er heen te rijden; dat is een uitkomst. Ik voel me als een bijna verzopen kat en ga dankbaar op zijn aanbod in.

Danny is 33 jaar en vertelt dat hij op de kermis werkt; hij heeft een botsautobaan, en nog een andere attractie. Hij staat vaak en veel in Zeeland op de kermis, Hulst, Oostburg, Ijzendijke. Wanneer ik hem vraag of hij ook in Bresekens was, het voorbije jaar, met de botsauto’s, antwoordt hij ontkennend. “Nee, dat was mijn neef.” Dan heb ik bij zijn neef in de botsauto’s gezeten, daags voor de Visserijdagen in Breskens.

Op mijn vraag hoe het gaat op de kermis, met inkomsten en vergunningen, vertelt Danny dat het niet slecht gaat. “We redden het nog steeds, al hoor ik van collega’s wel dat het minder wordt.” Maar het werkelijke probleem zijn de koperdieven. ““Ze stelen de kabels van de kraam, waar je bij staat,” zegt hij, “en wat het ergste is, is dat wanneer we iemand op heterdaad betrappen en vasthouden tot de politie komt, dat wij dan een veroordeling krijgen. Dan zouden we eigen rechters spelen, terwijl dat geheel niet aan de orde is. Het is toch de omgekeerde wereld? Ik begrijp niet,” zegt hij. “Kabels stelen mag blijkbaar wel, maar iemand vasthouden tot de politie komt niet.”

Danny kijkt me even vlug aan; hij is een zachtmoedige, zachtaardige jongen. Bergen op Zoom is in de wintermaanden de thuisbasis voor zijn familie, zoals voor zovele families die in de zomermaanden met kermisattracties door Nederland en Vlaanderen trekken. In het Markiezenhof, het museum in het centrum van de stad, is een unieke collectie kermis attracties te bewonderen. Voor we het weten bereiken we de Stoelenmat, en nemen we afscheid. Ik beloof hem deze zomer op te zoeken, ergens in Zeeland.

In een wonderlijk gebouw, T genaamd, is een congres over ‘Bio Based Economy’ aan de gang. Ik kom er, doornat, bepakt en bezakt, als een vreemde eend binnen, juist in de theepauze. Een hele zaal met mannen in zwarte pakken, en enkele dames. Waarvoor ze bij een zijn, en hoe zo,n bijeenkomst er verder uitziet… morgen meer. Nu is het bedtijd.

Hartelijke groet van

Jan

Gepubliceerd op