Over vroeger en nu, en dan … weer vooruit. 13e etappe Elsloo – Maastricht

13e Etappe, Elsloo – Maastricht.

Over vroeger en nu, en dan… weer vooruit

Kats, 30 mei 2011

Het stoptreintje van Roermond naar Maastricht brengt me naar het station Beek-Elsloo, waar ik vorige week mijn voettocht eindigde. Het is een station van niks: twee perronnetjes, een schuilhokje en een automaat waar je een kaartje kan kopen. Zon, wind en regen hebben vrij spel, en wanneer ik donderdag om half een aankom, is het er stil, leeg en grijs. Het is vooral ook warm en benauwd. Gelukkig heb ik geen andere keuze dan mijn rugzak op te nemen en verder te gaan, stappen, voetje voor voetje, op naar het kasteelpark van Elsloo. Zin om te wandelen? Nee, vandaag niet.

Op het terras van kasteel Elsloo heb ik een afspraak met Jose Ie. Zij is wethouder van de gemeente Stein, waar Elsloo onderdeel van is, net als Urmond, en Berg aan de Maas, waar ik vorige week doorheen trok. Stein telt bijna 26.000 inwoners; voor Zeeuwse begrippen is het een redelijk grote gemeente. Op Noord-Beveland, waar Kats ligt, wonen 7.000 inwoners; Schouwen-Duiveland met Zierikzee telt ongeveer 20.000 inwoners. Zo klein is de gemeente Stein niet.

Josee Ie, wethouder gemeente Stein... een zonnig, zuiderlijk terras in Elsloo

Het kasteel van Elsloo heeft een terras, waar het zo aangenaam is, en waar bloeiende klimro-zen, roze en rood, hoog tegen de oude stenen groeien. Jose Ie is voor een tweede termijn wet-houder in Stein. Ze heeft de portefeuille economie en financiën. De bezuinigingen treffen ook Stein. Alleen al op de sociale werkplaatsen moet er vier miljoen bezuinigd worden. Maar er is nog een andere zorg, ziet Jose Ie. “Stein heeft bijna 26.000 inwoners, maar voorzieningen voor een gemeente die tweemaal zoveel inwoners heeft. Dat is niet vol te houden, en ook niet te verantwoorden. In Elsloo heb je vier basisscholen die vlak bij elkaar liggen.”
Maar in Berg aan de Maas zien de mensen het verdwijnen van de dorpsschool niet als een vooruitgang, wel integendeel. Het dorp ligt geïsoleerd op een smalle strook tussen de oor-spronkelijke Maas en het drukbevaren Julianakanaal. Je kunt er alleen maar weg via een oude, smalle en levensgevaarlijke brug, naar het aan de overzijde van het kanaal gelegen Urmond-Oost en Stein. Ik ben te voet over die brug gewandeld en was mijn leven niet zeker, zonder voetpad, naast razende automobilisten.

Jose Ie is niet onder de indruk van die bezwaren. Onderwijsadviesbureaus hebben uitgerekend dat voor een kwalitatief goede brede school ongeveer tweehonderd leerlingen nodig zijn. In Berg zullen in de toekomst niet zoveel kinderen wonen, legt Jose Ie uit. Het risico bestaat dat de school in Berg aan de Maas straks minder dan 150 leerlingen heeft; dan valt de kwaliteit van het onderwijs niet meer te garanderen.

Ik val bijna van mijn stoel. “Waarom zou de kwaliteit op een school met minder dan 150 kin-deren niet gegarandeerd kunnen worden?” vraag ik, tegen de achtergrond dat op de Bevelan-den (Noord-Beveland, Zuid-Beveland en Goes) niet één school bestaat met 150 kinderen. Bovendien werd ons schooltje in Kats, met nooit meer dan vijftig leerlingen, enkele jaren ge-leden via een film in heel Europa nog als voorbeeld gesteld voor kwaliteit van onderwijs in een kleine gemeenschap… maar ja. In Kats, het dorp waar ik woon, kunnen bestuurders hun borst nat maken als ze het schooltje willen gaan sluiten. En die plannen zijn er, met overigens precies dezelfde argumenten van de onderwijsadviseurs als die van hun collega’s in Berg. Het sluiten van de school in Kats zal leiden tot opstand, woede en actie; niet meer en niet minder. De vraag is of Limburgers ook zo zullen reageren. Jose Ie verwacht het niet.
Besturen in Stein is overigens een hachelijke zaak, legt ze uit. In de gemeenteraad zijn veel lokale partijen vertegenwoordigd, en wel acht oud-wethouders zijn nu gemeenteraadslid. De vertegenwoordigers van lokale partijen hebben hun wortels in het verenigingsleven, in fanfa-res en voetbalclubs. Dat geldt niet voor Jose; zij was voor haar wethouderschap betrokken bij het antidiscriminatiebureau; ook van belang, erkent ze, maar geen club die tijdens een Oranje-feest luid toeterend door de straten trekt en veel aanhangers telt. Het besturen in een gemeen-teraad waarin zoveel persoonlijke belangen en oude geschiedenissen zijn samengebald, vraagt niet minder dan de hoogste evenwichtskunst. “Ik doe dit werk graag,” zegt Jose, “maar ik ben me bewust van alles risico’s. Mijn leven wordt evenwel niet bepaald door deze functie.”
Met overtuiging en passie spreekt Jose Ie over het grote Chemelot Campus. De verschillende overheden in de streek hopen met onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven de economie een impuls te geven. “We zetten hier in op de kenniseconomie. Onder de vleugels van DSM is hoogwaardige chemische bedrijvigheid in de streek, waar vele duizenden mensen direct en indirect werk vinden. We moeten als overheden proberen hoogopgeleide mensen naar deze streek te trekken. Dat betekent dat we moeten nagaan wat zij leuk vinden, wat hun hobby’s zijn en hoe zij willen wonen. Iedere hoogopgeleide kenniswerker levert ook weer banen op voor lager geschoolden,” aldus Jose Ie.
De mogelijkheden van de verschillende overheden zijn overigens beperkt. Ook hier in Stein moet bezuinigd worden. De sociale werkplaatsen hebben steeds meer moeite om mensen bij bedrijven te detacheren. Bedrijven in de streek vallen om… Bij de sociale werkplaats werken ruim tweehonderd inwoners van de gemeente; er moet op de begroting 4 miljoen worden ge-kort. “Mensen krijgen het echt steeds moeilijker. In mijn eerste periode heb ik ervoor gezorgd dat er een voedselbank kwam. Daar is behoefte aan. Niet dat ik zo blij ben met een voedsel-bank, maar het gebeurt nu eenmaal, dat mensen plots in financiële moeilijkheden komen, bij-voorbeeld door het verlies van werk en hoge lasten die elke maand weer terugkomen. Je moet erkennen dat er dan geen geld is om eten te kopen, dat mensen wel degelijk zijn aangewezen op een voedselbank.`”

We nemen afscheid; ik moet mijn laatste stuk langs het Julianakanaal volbrengen, richting Maastricht. Weer kilometers over het smalle jaagpad, met heel af en toe een binnenvaartschip ter afleiding. Ik wandel door het stille dorp Geule, door Brommelen en Bunde, en er is geen mens te zien. Tegen het einde van de middag nader ik Maastricht. Althans de eindeloze, troos-teloze bedrijfsterreinen aan de noordkant van de stad, terwijl duizenden mensen in auto’s naar huis schuiven… Het is bovendien naar weer, benauwd, grijs, warm en vochtig, terwijl de wind op steekt en me kwetsbaar maakt.

Ik ben doodop wanneer ik tegen zeven uur aanbel bij Weike Medendorp en Eric Ummels, die me onderdak hebben aangeboden in Maastricht. Rugzak neer, schoenen uit, een glas water, even op adem komen… En dan een heerlijke maaltijd: de voettocht is uiteindelijk niets meer en niets minder dan een voorrecht. Ik ben de gelukzak…
In de loop van de avond bespreken we met elkaar de toestand van de sociaal-democratie in Limburg. De geschiedenis van de beweging is oud en gaat terug tot in de negentiende eeuw, toen Willem Vliegen uit Gulpen actief werd. Hij had nauwelijks een opleiding maar ontwik-kelde zich als typograaf, sloot zich aan bij de Sociaal Democratische Bond, en werd een actief propagandist in Maastricht. Over het ontstaan van de sociaal-democratische beweging in Limburg geven Weike en Eric me een boekje: ‘100 jaar over de rooien’. Het verhaal leest als een trein. Vooral de eerste decennia van de sociaal-democratie betekenen een eindeloze strijd; vallen en opstaan, kleine stapjes vooruit en grote teleurstellingen. Willem Vliegen uiteindelijk wordt een van de twaalf oprichters van de SDAP, de voorzitter van het stichtingscongres, en lange tijd ook voorzitter van de partij, wethouder en lid van de Tweede Kamer. Ergens, op het kerkhof aan de Tongerseweg in Maastricht, ligt Vliegen begraven, vertellen Weike en Eric.

Het gaat niet goed met de Partij van de Arbeid in Limburg. Jose Ie vertelde hetzelfde verhaal wat ik nu ook van Weike en Eric hoor. De club veroudert, heeft buiten de steden nauwelijks nog aanwas van nieuwe leden. Weike en Eric hebben in de campagne voor de provinciale verkiezingen meer dan vijfhonderd kilometer door de stad gelopen om deur na deur de mensen aan te spreken met een eenvoudige vraag: “Leveren we Maastricht over aan de PVV; laten we het gebeuren dat Maastricht als een intolerante stad wordt aangemerkt?” Deur na deur, in de volkswijken. Het resultaat was er naar: bij de provinciale verkiezingen werd de PvdA in Maastricht weer de grootste partij van de stad.
Maar van de landelijke partijorganisatie kregen Weike en Eric nadien geen enkel signaal, geen enkele vraag: hoe hebben jullie dat voor elkaar gekregen? Welke technieken hebben jullie gebruikt, welke strategie waarom gevolgd? Als die vraag wel was gekomen, dan hadden Weike en Eric kunnen uitleggen dat ze een op maat van Maastricht gemaakte campagne hebben gevoerd. Zelfs de kleinste details van de campagne werden doordacht en verbonden aan de wereld van Maastrichter volkswijken. De foto van Weike op het verkiezingsmateriaal werd aangepast. “Ik wilde geen foto als een staatsieportret, zoals het format van de landelijke organisatie in Amsterdam. Die vorm zou hier echt verkeerd zijn uitgelegd. Ik ben gewoon Weike, net als de andere mensen gewoon zijn. Ik ben geen staatsvrouw.”

“De PvdA heeft een slechte naam”, merkt Eric op, die jarenlang de PvdA-fracties in de gemeenteraad en in Provinciale Staten heeft ondersteund. “En je moet je afvragen of je dat als ‘merk’ nog wel op deze manier overeind moet houden. Wie een keer een ledenvergadering bezoekt, zakt de moed al gauw in de schoenen. Jongeren spreken we niet aan met vaste, gesloten structuren.”

Ondanks het succes van de PvdA in de stad Maastricht verloren de sociaal-democraten in Limburg bij de provinciale verkiezingen een zetel. De Partij voor Vrijheid (PVV) van Geert Wilders werd de grootste partij in Provinciale Staten en levert twee gedeputeerden in het da-gelijks provinciebestuur. Tijdens het eerste debat in ‘het Gouvernement’ sprak Laurence Stassen, fractievoorzitter van de PVV, over de bouw van een nieuwe moskee in Roermond. Zij noemde het godshuis een haatfabriek. Daarmee werd de toon voor het provinciaal bestuur in Limburg gezet. Mevrouw Stassen, afkomstig uit een vooraanstaand Limburgs geslacht van bestuurders, juristen en notabelen, is ook lid van het Europees Parlement. Na afloop van het harde debat, vertelden ooggetuigen, zat mevrouw Stassen huilend in haar auto in de parkeer-kelder van het Gouvernement. Haatfabriek… je al dat woord uitspreken, of, erger nog, moeten uitspreken.

De Partij van de Arbeid in Limburg staat voor het eerst in 38 jaar buiten het provinciebestuur. De eerste mei was in het verleden een feestelijke dag in het zuiden. Sociaal-democraten en socialisten van de partij, vakbonden en coöperatieven trokken met een fanfare voorop door de straten van Maastricht. Ze bezochten het graf van Willem Vliegen en het monument van de oud-voorzitter van de SDAP in de stad. Van die beweging is vrijwel niets meer over. De banden met de vakbonden zijn vervlogen en het FNV is als maatschappelijke beweging vrijwel onzichtbaar in Limburg. Hoe nu verder? Inhoud en organisatie van de Partij van de Arbeid roepen eerder afkeer op, dan enthousiasme.

Weike raadt me aan om de volgende dag naar de weekmarkt te gaan, in het centrum van de stad. Daar komen mensen uit alle windstreken, niet alleen uit Limburg, maar ook uit Vlaande-ren, Luik en Aken, voor vis en kaas, voor kleren en stoffen.

Vrijdagochtend is het al vroeg warm. De zon is fel, de wind droog. Ik wandel eerst naar de Algemene Begraafplaats aan de Tongersestraat, waar bij elkaar sociaal-democraten begraven liggen en ook het graf van Willem Vliegen te vinden moet zijn. Begraafplaatsen zijn, vind ik, altijd verwarrend. Overzicht ontbreekt en gelijkvormigheid overheerst. Lange paden met graf-stenen vind je in Terneuzen, in Enschede, Gennip en dus ook in Maastricht. De algemene be-graafplaats is hier groter in oppervlakte dan het dorp waar ik woon. Toevallige bezoekers hebben geen idee van het graf van Willem Vliegen, zelfs de arbeiders die de paden onderhou-den hebben geen idee. “Willem wie?”, vragen ze. “Vliegen, nee, nooit van gehoord.”
Ook in het kantoor van de begraafplaats weet men niet waar Vliegen ligt; in het register is zijn naam niet terug te vinden. “Waarschijnlijk geruimd,” vertelt de vriendelijke mevrouw me. Wel weet ze waar het socialistenhoekje is. Ze geeft me een plattegrond, omcirkelt het cijfer acht, en zegt: “Het socialistenhoekje is vlak bij de graven van de moslims.”

Opnieuw wandel ik tussen de graven. Vlak bij het secretariaat, bij de erekapel, liggen de fami-liegraven van de vooraanstaande Maastrichtenaren, Recourt, Stassen. En een eindje verder, tegen de achterste muur van het kerkhof, is inderdaad een hoekje met graven van sociaal-democraten. Ik wandel drie, vier keer alle graven langs. Vliegen lijkt geruimd, zoals de dame in het secretariaat voorzag. Ik vind het graf niet. Wel dat van Hubert Paris, de gematigde me-de oprichter van de SDAP in Maastricht.
Ik ga de volkswijk Mariaburg in, waar kleine witte huizen vertellen over de oude droom over volkshuisvesting, volksverheffing en een gezond leven. Dieper in de wijk is het beeld minder hoopvol. Straten zijn smaller, de huizen kleiner, vaak met de gordijnen gesloten. In de straten zie je dure auto’s, en armoedige vehikels. Fietsen met lekke banden tegen de voorgevel. In de verte gaat een voordeur open van een van de kleine woningen met gesloten ramen. Een man stapt haastig naar buiten en verdwijnt in een auto. Hij rijdt haastig weg. Een jonge vrouw, in een zwart trainingspak met witte banen, kijkt hem even na en glipt weer naar binnen. Ik loop wat sneller, benieuwd of ik nog iets kan vernemen over het leven hier in de wijk. Maar het is onduidelijk in welk huis de jonge vrouw de deur sloot; alle huizen hebben gesloten gordij-nen…. nergens leven te bekennen.

Even verder zie ik een oude heer die zijn hond uitlaat, een gevaarlijk uitziende Pitbull terriër. Ik ben bang voor honden, maar spreek de oude heer aan, de bezwering ‘hij doet niks’ over-winnend. Ik loop een eindje met hem op. De oude man gaat een bakje koffie drinken bij zijn dochter die aan de rand van de wijk woont, vertelt hij. De buren in zijn straat kent hij wel, maar het leven in de wijk is moeilijk. “Ze stoppen hier het laagste van het laagste, veel crimi-nelen en mensen uit verre landen. Ja, wat wil je? De huren zijn hier laag, driehonderd euro. Leuk is het niet, maar wat moet je? Ik woon hier al 68 jaar.” De man was ijzervlechter; door de Duitsers werd hij gearresteerd en gedwongen te werk gesteld, tot aan de Russische grens toe. IJzer vlechten, bunkers bouwen. “Ik heb geluk gehad, ik heb het overleefd. Maar ik heb veel mensen dood zien gaan. Veel doden.” Na de oorlog vond hij werk in de bouw. Er was werk genoeg. “Ik heb het ijzer gevlochten van de ENCI schoorsteen, 104 meter hoog. Ik vond dat niet erg. Je moest alleen niet naar beneden kijken.” Met de wereld bemoeit hij zich niet meer. “Ik zorg voor mezelf en daar heb ik mijn handen vol aan. Ik ben 89 jaar.”

De markt van Maastricht is druk en vol. Duizenden mensen vinden er hun weg tussen de kra-men waar werkelijk alles te koop is, inclusief de potjes met een nieuwe, witte zalf waarmee je goud en zilver, kunststof en tanden mee kunt laten blinken als nieuw. Luikenaars laten zich de vis goed smaken; er worden asperges verkocht, noten en honing, en ook de mooiste bloeiende planten en bloemen.

Wafels en kokos Macrons... van Willems... Maastricht, de markt

Aan de achterkant van het oude stadhuis zie ik een karretje, waar biologische koffie vers wordt gemalen, en koffie wordt gezet in een grote glimmende machine. Het ruikt heerlijk. Ik bestel een kopje en maak een praatje met Jeroen en Dienne, die de koffiekraam exploiteren. Het is de eerste dag dat ze met dit kraampje op de markt staan; ze hebben vanmorgen in alle vroegte moeten loten om een plekje te verkrijgen. Gelukkig trokken ze het goede lot. Het koffieaanhangwagentje heeft Jeroen samen met zijn vader Henri opgebouwd. Maanden werk, en vandaag voor het eerst is hij er mee op pad. Dat is spannend. Zouden er mensen op af komen, zou alles werken zoals gehoopt? Het lukt wonderwel, de koffie is de beste die ik onderweg al vond.
Aan een blauw bistrotafeltje terzijde van het koffiekarretje zit de moeder van Jeroen. Twee andere vrouwen, die in een dialect spreken wat ik niet kan verstaan, bezetten de stoeltjes. Je-roens moeder vertelt dat haar zoon werd opgeleid tot docent beeldende vorming, en dat hij een hele tijd voor vrijwel geen geld les gaf aan kinderen van asielzoekers, maar dat werk was niet vol te houden. Hij verdiende vaak maar vijf euro per uur. Op een dag vertelde hij dat hij wilde kraken; zijn moeder vond dat, vertelt ze me, maar angstig en niet zo mooi. “Maar als ik dan zag waarom het gekraakt werd, en wat ze allemaal voor elkaar hebben gekregen, en wat ze voor de mensen doen, zie ik hoe goed het is. Ze hebben een inkoopcoöperatie, een volks-keuken, en een weggeefwinkeltje, waar je voor niks kunt krijgen wat je nodig hebt. En weet je, ik was eens bij hen in het restaurant, en er was een oude mevrouw, die arm was. Weet je, ze zei dat ze nu toch naar een restaurant kon, voor een viergangendiner voor vijf euro. En dat ze bij de krakers was, dat vond ze prachtig. Ze doen daar bij het Landbouwbelang goed werk; ze zijn er echt voor de mensen. Jeroen heeft daar zijn plaats gevonden. Het is goed wat hij doet. ”

Het koffiewagentje van jeroen en Dienne, en links, aan het tafeltje, vader en moeder Bouwer

Het is tijd om naar Zeeland terug te keren; ik ben echter benieuwd naar de creatieve en sociale vrijhaven van de Maastrichter jongeren die Landbouwbelang heet, vooral omdat ik de volgen-de week een coöperatief initiatief in Lixhe, net over de grens, in het Waalse arrondissement, zal aanschouwen. Ik maak nog even een praatje met Jeroen en maak een afspraak, volgende week zien we elkaar weer, dan praten we verder.

Nu tot hier. Volgende week gaat dit verhaal verder, als een volgende etappe van de voettocht. Heel hartelijke groet, en alle goeds,

Jan

.

Geef een reactie